1. Monoblok versus split — waarom het écht uitmaakt
Bij een monoblok-warmtepomp zit de volledige koelcyclus in de buitenunit. Er lopen alleen water-leidingen (aanvoer + retour) naar binnen — koudemiddel verlaat nooit het buitenhuis. Bij een split-systeem zit de compressor buiten maar loopt er koudemiddelleiding (vloeistof- en gaslijn) naar een binnenunit met warmtewisselaar.
Praktische gevolgen:
- F-gassen regelgeving. Sinds 2026 (EU Verordening 2024/573) is elke ingreep op koudemiddelcircuit voorbehouden aan F-gas-gecertificeerde installateurs. Monoblok = nul ingrepen op koudemiddel op locatie → installatie sneller, administratie simpeler, geen jaarlijkse lekdichtheidscontrole.
- Leidinglengte. Split is beperkt tot 15–30 m koudemiddelleiding (model-afhankelijk). Daarboven: vermogen droppt en garantie vervalt. Monoblok heeft géén koudemiddel-limiet — enkel waterverliezen bij zeer lange trajecten.
- Geluid. Monoblok heeft de compressor buiten, wat binnen stiller is (geen compressorbrom in binnenruimte). Split binnenunit is ook stil maar hoorbaar bij rustige kamers.
- Vorstbescherming. Monoblok water-leidingen kunnen bij extreme vorst bevriezen als de circulatiepomp stilvalt. Oplossing: automatische anti-vries-glycol (20%) in primair circuit — let op bij offerte.
- R-290 natuurlijk koudemiddel. Propaan is brandbaar → regelgeving beperkt binnen-opstelling. De nieuwste R-290-modellen (Viessmann Vitocal 150-A, Vaillant aroTHERM plus, Daikin Altherma 4) zijn bijna allemaal monoblok om deze reden.
Advies: kies monoblok tenzij er een specifieke reden is voor split (bijv. binnenunit plaatsing nodig, bestaand koudemiddelcircuit hergebruiken bij lucht-lucht upgrade). In BE 2026 is monoblok de default bij vrijwel alle nieuwbouw en renovatie.
2. Binnenunit / hydraulische module — waar plaats je hem?
Bij monoblok is er geen binnenunit in de strikte zin, maar er is wel een hydraulische module met circulatiepomp, 3-weg-klep, filter, drukveiligheid en eventueel geïntegreerde boiler. Plaatsingscriteria:
- Zo dicht mogelijk bij de buitenunit. Ideaal < 5 m leidinglengte water — minder verliezen, minder inregelwerk, geen pompdrukverlies-problemen.
- Vloer-drainage of lekbak verplicht (condenswater bij ontdooicycli + veiligheidsklep).
- Bereikbaarheid onderhoud. Minimaal 60 cm vrije ruimte aan voorkant en zijkanten.
- Temperatuur omgeving tussen +5°C en +35°C. Kelder niet-geïsoleerd tot −5°C kan problemen geven met regelelektronica.
- Nabij warmteverdeler/collector vloerverwarming/radiatorkring: bespaart leidingen en isolatiewerk.
Typische plaatsingen in BE: technische berging naast de keuken (meest voorkomend), garage met afgescheiden warme zone, of vroeger-cv-kamer in kelder mits voldoende temperatuur.
3. Leidinglengtes — de stille efficiëntie-killer
Voor water-leidingen geldt: elke meter voegt pompverlies toe (typisch 50–100 mbar/m bij 22 mm koperen leiding en standaard debiet). Pompverlies = extra elektraverbruik circulatiepomp = verlaging netto SCOP.
Praktische impact (voorbeeld 8 kW systeem, lagetemp):
| Leidinglengte buiten↔hydraulisch | Extra pompverbruik (kWh/j) | Effect op SCOP |
|---|---|---|
| 3 m (ideaal) | — | 0% |
| 8 m | + 45 kWh | − 1,2% |
| 15 m | + 120 kWh | − 3,5% |
| 25 m | + 240 kWh | − 7% |
| > 30 m | variabel | Vermijden — overweeg 28 mm leiding of halverwege een boosterpomp |
Isolatie van leidingen: minimaal 19 mm Armaflex bij 35°C aanvoer, 25 mm bij 55°C. Onbeschermde leiding buiten verliest ~150 W/m winter — snel significant. Dit staat in WTCB TV 232 "Isolatie van leidingen".
4. Buffervat — wel of niet, en welke grootte?
Een buffervat is een hydraulisch scheidingselement: het garandeert een minimum watervolume waardoor de warmtepomp langer kan doordraaien zonder aan/uit-cycli, en het vult tegelijk hydraulische onevenwichten op (bijv. thermostatisch gesloten kringen).
- Zonder buffervat — werkt alleen goed bij volledig open vloerverwarming (geen thermostatische afsluiting per kring) met minimaal 80 L watervolume in het systeem. Typisch voor appartementen of nieuwbouw met compact net.
- Met klein buffervat (30–50 L): alleen als hydraulische scheiding tussen WP-kring en verdeler. Werkt bij vloerverwarming in kleine woningen.
- Met groot buffervat (100–200 L): nodig bij radiator-kring met zoneregeling, ontdooibuffer, of bij slimme tariefsturing (je 'laadt' het buffervat tijdens goedkope elektra-uren).
Vuistregel BE 2026: 20 liter buffer per kW nominaal vermogen (WTCB-richtlijn). Dus 8 kW WP → 160 L buffer.
Nadeel groot buffer: hogere stilstandsverliezen (~1–2°C per 24u bij goede isolatie), ruimtegebruik, extra investering € 600–1.200.
5. Koudemiddel — R-32, R-290 of R-454B?
Europese F-gas-verordening 2024/573 faseert GWP-houdende koudemiddelen uit. Stand 2026 voor residentieel:
- R-32 (GWP 675) — toegelaten tot 2026 voor split-systemen, tot 2032 voor monoblok. Wordt geleidelijk vervangen.
- R-290 (propaan, GWP 3) — de toekomst. Natuurlijk koudemiddel, hoogste SCOP, toelaatbaar in monoblok buiten. Brandbaar (A3) dus strikte opstellingsregels.
- R-454B (GWP 466) — overgangskoudemiddel, toegepast door sommige Japanse fabrikanten als R-32 vervanger. Niet brandbaar (A1).
- R-410A — verboden voor nieuwe installaties sinds 2025.
Advies voor 2026 nieuwe installatie: R-290 tenzij er een specifieke reden is (bijv. binnenunit vereist waar R-290 niet toegelaten). R-32 is acceptabel als overbrugging bij compacte systemen. R-454B alleen als R-32 niet beschikbaar in gewenst model.
6. Stooklijn en regeling — de grootste prestatie-hefboom
De stooklijn bepaalt welke aanvoertemperatuur de WP levert bij een gegeven buitentemperatuur. Lager = hoger rendement. Regel: minimale aanvoertemperatuur die je woning nog comfortabel krijgt. Dit vereist opmeting na installatie.
Typische stooklijnen goed afgesteld:
- Vloerverwarming: −5°C buiten → 38°C aanvoer, +15°C buiten → 28°C aanvoer
- Lagetemp radiatoren: −5°C → 50°C, +15°C → 32°C
- Hogetemp radiatoren: −5°C → 65°C, +15°C → 35°C
Fout-stooklijn (installateur zet alles op "safe" en voert 55°C bij +5°C) kost je 15–25% SCOP. Laat dit tijdens de eerste winter een keer herijken — dit hoort bij de inbedrijfstelling.
7. Geluid en plaatsing buitenunit — VLAREM II
In Vlaanderen geldt VLAREM II art. 5.32.7.2: aan de gevel van de buur mag 's nachts maximaal 35 dB(A) gemeten worden (woongebied) of 30 dB(A) in stiltegebied. Praktisch betekent dit:
- Minstens 3 m afstand tot perceelgrens bij nominale buitenunit (±50 dB op 1 m).
- Nooit in hoek tussen twee muren (reflectie-versterking +3 dB).
- Rubberen dempers onder voet (vermindert lichaamsgeluid).
- Akoestisch scherm indien < 3 m tot buur.
Zie volledige gids VLAREM met afstandsrichtlijnen per dB-klasse.
8. Checklist vóór je de offerte ondertekent
- ☐ Warmteverliesberekening volgens EN 12831 bijgevoegd
- ☐ Keuze monoblok bevestigd
- ☐ Leidinglengte binnen↔buiten < 15 m of gemotiveerd
- ☐ Leidingisolatie minimaal volgens WTCB TV 232
- ☐ Buffervat aangepast aan 20 L/kW of motivatie waarom niet
- ☐ Koudemiddel R-290 bij voorkeur, of R-454B/R-32 gemotiveerd
- ☐ Stooklijn-optimalisatie expliciet opgenomen na 1e stookseizoen (gratis revisie)
- ☐ Opstelling 3 m van perceelgrens of akoestisch scherm meegerekend
- ☐ Dempervoet vermeld (geen € 50 wegbespaard)
- ☐ Aarding + dedicated circuit 16/25 A meegenomen
9. Zie ook
- Bereken jouw benodigde kW-vermogen
- Bereken je premie-bedrag
- Warmtepomp bij renovatie
- Geluidsniveau + VLAREM II
- Monoblok vs split vergelijking
- Vraag gratis offertes aan RESCert-partners
Bronnen
- WTCB TV 262 "Dimensionering warmteopwekkers" (2023)
- WTCB TV 232 "Isolatie van leidingen" (2012, geüpdatet 2023)
- VLAREM II art. 5.32.7.2 geluidsnormen warmtepompen (consolidatie 2024)
- EU Verordening 2024/573 F-gassen fase-out (in werking 2025)
- EN 12831 "Heating systems in buildings — method of calculating the design heat load"